BEURRÉ de MERODE

Waarschijnlijk gewonnen door Van Mons in België, omstreeks 1800. Is genoemd naar de graaf De Mérode uit de Slag bij Waterloo. Ze kwam veel voor in Lim­burg, Zeeland en de Betuwe en werd in de Rassenlijst voor Fruitgewassen van 1936 nog speciaal aanbevo­len voor regenarme streken. Een groot deel van de op­brengst werd geëxporteerd naar Duitsland en Enge­land.

De boom groeit matig, maakt wel een mooi gevulde kroon met veel gebogen hout. De boom is mooi van vorm en de productiviteit is goed tot zeer goed. Heeft wel neiging om in beurtjaren te vervallen. Goed snoei­en en dun­nen kan beurtjaren bijna geheel voorko­men.

De vorm is ge­dron­gen, afgeplat ko­gelrond, middel­groot tot groot. De kleur is groen tot geelgroen bij rijpheid zonder blos. Veel roestplekjes vooral rond de steel. Het is een goede hand­peer, gebruik van sep­tem­ber tot oktober.

De peer wordt ook wel DIKKE FLIP, DUBBELE FLIP of DOYENNé BOUS­SOCH genoemd.

De kwaliteit van de vrucht is matig, werd in vroeger jaren niet tot de fijnere tafelpeer gerekend. Ze werd veel gebruikt voor verwerking in glas. De vrucht is sappig, friszuur en heeft korrelig vruchtvlees. Ze is goed te koelen, maar daarna vrij snel beurs, wat door het vele roest bij dit ras niet snel zichtbaar is.

Ze is in het algemeen niet bijzonder vatbaar voor ziekten, maar op natte gronden wel vatbaar voor schurft.