BRAMLEY’S SEEDLING

De herkomst van deze appel ligt in Engeland, South­well, gekweekt door Mary Ann Brailsford tussen 1809 en 1813. Ze is verder door­gekweek door M. Bramley. Deze zaailing leefde nog tot in 1945. Ze is geschikt voor de meeste bo­dems. Doet het zelfs redelijk op minder goede grond-soorten, zo­als die met een slecht profiel of droogtegevoelige. Het is een zeer sterke groeier, meer geschikt als halfstam of hoogstam dan in een kleine tuin. Vormt een breed uit­groeiende open kroon. Ze bloeit middentijds en is triploïd, dus niet erg geschikt als bestuiver voor andere rassen. De bevruchting vindt plaats door Cox's, Discovery, Elstar en James Grieve. De oogst­tijd is half september en ze is goed te bewaren tot februari. De op­brengst is groo­t, ze heeft neiging tot beurt­jaren bij zeer grote op­breng­steIn het begin is matig   maar later zeer sterk vruchtbaar. De vrucht is groot tot zeer groot. Vruchten van 500 gram of meer zijn geen uit­zon­de­ring. De kleur is  hard­groen, later groengeel met een lichte rode blos. De schil wordt vettig als de vrucht verder afrijpt. De smaak is matig, het vruchtvlees grof en wit gekleurd.

Bramley bevat veel vitamine C, een hoog zuurgehalte en is sappig. Ze wordt vooral ge­bruikt als moesappel,  maar is ook te gebrui­ken voor het maken van sap en in gebak. Na langere tijd van bewaren neemt het zuur­gehalte af en kan de vrucht  even­tueel als handappel gebruikt wor­den. Er bestaat geen overmatige gevoeligheid voor kwalen, kan al­leen wat last hebben van schurft.

Ze wordt ook wel TRIOMPHE de KIEL of PANNEKOEKAPPEL genoemd.