INGRID MARIE

Op de Tuinbouw Hoge School Flemlose te Funen in Denemarken is ze in 1910 door een leraar K. Madsen gevonden. Waarschijnlijk is ze een Cox's-zaailing. Haar benaming komt van de dochter van Madsen. Vanaf 1936 is ze in de handel gebracht door C. Mat­thiesen in Korsör. De standplaats beperkt zich in het algemeen tot kuststreken, tot in Zuid-Zweden en de kuststreken van de Oostzee is ze te vinden. De groei is tamelijk sterk, vooral de eerste jaren. Ze vormt een dichte brede kroon met veel vruchthout. Ze is ge­schikt voor haagvorm. De bloemen komen midden­vroeg, het stuifmeel is goed, de bloemen zijn matig vorstgevoe­lig. De oogsttijd loopt van half september tot begin oktober en ze is houdbaar tot eind decem­ber. De vruchten hangen alleen, per paar of in trossen, en zijn niet windvast. Het verdient de voorkeur een optimaal oogsttijdstip aan te houden, door barsten in de vruchten zijn ze al in boom sterk aangetast door vruchtmoni­lia. Ze zijn niet gevoelig voor druk, goed transporteerbaar en machinaal sorteerbaar.

De op­brengst is meestal vroeg en ze is goed vrucht­baar. In kust­stre­ken en noordelijke gebieden komen betere opbrengsten voor. De vrucht is middel­groot, de basis­kleur is gelig groen, groten­deels tot geheel overdekt met een donker purperrode blos. Het vruchtvlees is crèmegeel, stevig, sappig fris zoet­zuur met een rede­lijk aroma, dat enigszins aan Cox's doet den­ken. Ze is een echte handappel, eventueel ook als moesappel te gebruiken. Ze is gevoelig voor kanker, en vatbaar voor stip en vruchtrot.