JAMES GRIEVE

De herkomst van deze appel is Edinburgh, Schotland. In 1893 is de vrucht uit pitten van Cox's Orange of Pott's Seed­ling (het is niet 100 % zeker vanuit welk ras) door J. Grieve opgekweekt. Hij is geschikt voor de koudere, maar wel minder vochtiger gebieden. An­ders ontstaat snel last van kanker. Hij groeit goed op de meeste gronden, mits ze niet al te nat en zuur zijn. De groei is matig sterk, de takken gaan schuin om­hoog om een open ronde kroon te vormen. De onder­stam is voor een zwakke groei M9, voor een grotere boomv­orm met wat krachtiger groei M4 en MM106. Hij bloeit vroeg tot middentijds, lang­durend dus en is weinig weergevoelig, heeft goed stuifmeel. De boom is zelfbestuivend en wordt besto­ven door Alkmene, Cox's, Golden, Pearmain, Ingrid Marie, Jo­nathan, Transparant Blanche. Is zeker ge­schikt als bestuiver voor triplïode rassen. De oogsttijd is van eind augus­tus tot eind september. Kan ook in augus­tus geplukt worden als moesappel. Is te bewa­ren tot ca. 2 weken na de oogst. Het is een rede­lijk grote appel met een gele kleur, rode strepen en soms een rode blos. Het vruchtvlees is zeer sappig en zacht met een goede smaak en een goede suikerzuur ba­lans, hierdoor goed te gebruiken voor ciderproductie.

Kan last hebben van schurft en op droge gronden van bladval. Is ook vatbaar voor bloedluis, spint, stamba­sisrot en bacterievuur.