KESWICK CODLING

Een oud Engels ras, voor het eerst in 1793 vermeld, afkomstig uit de plaats Keswick. Een matig groeiende boom die een grote op­brengst aan moesappelen geeft. Als moesappel met een redelijke hoeveelheid aroma, is ze altijd redelijk gewaardeerd. Alleen de gele, rijpe vruchten kunnen eventueel als handappel gebruikt worden.

Een vrij steile groei­wijze met ruim voldoende vrucht­hout geeft de kans deze boom ook als cordon- of leivorm te telen. Ze is vooral ook geschikt voor noor­delijker gebieden. De bloei is vroeg en ze is zelf­bestui­vend. Heeft vrijwel geen last van beurtjaren ondanks de redelijk grote oogst. Deze vindt plaats rond eind augustus en ze kan bewaard worden tot half septem­ber. De appels zijn matig groot, groengeel met een beetje een rode blos, ze hebben droog zoetzuur en vrij zacht vruchtvlees. Bij de kelk zijn ze geribd. Wordt van groen bij rijpheid groengeel met soms een beetje blos. Ze is zeer vatbaar voor bloed­luis en kanker, maar ze her­stelt zich van kankeraan­tastin­gen vrij snel. Ze verloor terrein toen het ras Early Victoria aan het einde van de dertiger jaren opkwam en aangeraden werd als vervanger van Keswick Codlin. Early Victoria was vruchtbaarder en gezonder en bracht een betere prijs op. Toch was de kwaliteit van Keswick beter dan van Early.